vrijdag 16 oktober 2009

Een boterham met eenzaamheid



I

Daar ga ik om mijn half gesneden witje
Genoeg voor ‘t avondmaal en een ontbijt
Het zorgt voor een verpozing en een ritje
Een adempauze en een kort respijt

En ook al neem je nog een zeven granen
Met hout gebakken op de ovensteen
Je kunt er niet veel langer meer om heen
Straks eet je brood belegd met zilte tranen

De stemming smeult weer op het laagste pitje
Er is een vraag die in mijn vezels snijdt
Laat mij nu weten toch ik bid je
O zeg me godverdomme waar gij zijt.
II

Diep opgeweld uit klieren en organen
Een zondvloed die vertrekt uit grote teen
Langs bekken, wervelzuil en schedelbeen
Een golf die zich verspreidt langs zenuwbanen

En dan snik ik het uit:Waar zit je
Wat deed je zoal in de tussentijd?
Sta je of lig je, waak je of pit je?
De vraag die me aan stukken rijt.

Er daalt een waas neer voor de oogmembranen
Een snik mondt uit in oeverloos geween
Een zuigelinggekrijs in volle speen
Er biggelt vocht uit openstaande kranen
III

Weergalmend lang vergeten zomerhitje
De eeuwige terugkeer van ‘t voorafgegane
Waarom nu weer dat weemoedmelodietje?
Met wroegingbommen en met spijtvulkanen

Ik eet mijn maaltijd moederziel alleen
Een sneetje broods. Een plak verlatenheid
Gepekeld en gekruid en toebereid
Besprenkeld met gemalen steen en been

Het smaakt naar kalk bestrooid met poederkrijt
Ik wil het nu wel weten, toe, waar zit je?
Ben je gelukkig ergens en geniet je?
Steeds weer dezelfde vraag die nimmer slijt.

Slot

Al ween ik zeeën vol en oceanen
En huil ik als de stormwind van orkanen
Ik eet mijn boterham met eenzaamheid
Met steeds die ene vraag er in geheid

En dat al sinds de dag dat je verdween.
Wat dreef je en waar ging je heen?
Hoe ben je en wat doe je en waar zit je?
Ik wilde je nog wel maar je verliet me
Posted by Picasa

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen